“Of je worst lust,” herhaalt ze. Ik knik beleefd, tweemaal, om de dubbele vraag te compenseren. Herpak mezelf en mijn bord. De drie niet onbelangrijke ontdekkingen komen bij elke schep harder binnen. Hij heeft een vrouw, met die vrouw een kind, en met die vrouw en dat kind een maaltijd gepland op deze date die er geen is. “Nog?” “Nee, dank u.”
Mezelf begravend in het dampende bord, graaf ik dieper naar rode vlaggen die ik niet heb zien wapperen. Namen die ik niet heb horen noemen. Onbereikbaarheden die geen bezet zijn suggereerden. Terughoudendheid die niemand tegenhield. “Smakelijk.” Blijven blazen, dan hoef ik niks te zeggen.
Normaal gezien ben ik niet naïef. Ik probeer mijn te rode lippenstift bij elke hap subtiel wat af te likken. Voorzichtig zelfs. Met het kruisen van mijn benen en het spreiden van mijn servet wil ik tevergeefs die te korte rok lengen. Hij is de versierder van ons twee. Vooral geen oogcontact maken nu. Te mooi om vrij te zijn.
Zijn dochter smakt genietend, een onbewuste roep om meer. Ik duw beelden weg van hij die mijn hoofd naar beneden duwt. “Lekker hoor.” Hoe ben ik aan deze tafel beland en hoeveel gangen moet ik lijden voor het gepast is mezelf er weer van te lullen? De tijd die ik anders wil stilzetten gaat me nu tergend traag. Ja, ik had zin in worst en nee, deze krijg ik niet meer binnen. Slik.

