In shock was ze, onze lerares Nederlands uit het vijfde middelbaar, toen enkele klasgenoten van me tijdens hun spreekbeurt, welbespraakt en rationeel beargumenteerd, Max Havelaar van Multatuli eerder slecht durfden te noemen. Het boek was immers één van de keuzemogelijkheden uit een opgelegde leeslijst der “boeken waaraan niet geraakt mocht worden”. Ondanks de inspanningen van voorgenoemde lerares om literatuur zo afstompend mogelijk te doceren, besloot ik toch vier jaar van mijn leven aan de letterkunde te wijden. Tot het punt gekomen dat ik zelf jeugdelijk enthousiaste spreekbeurten zou kunnen overhoren, stelt zich de vraag of ik Max Havelaar, of eender welk werk, zou opleggen als verplichte lectuur.
Een dergelijke lijst met canonieke werken vraagt onvermijdelijk om een bepaalde begrenzing. Zo stelt zich meteen het probleem waar je de lijn trekt. Literaire canons worden sinds de negentiende eeuw gepredikt als een der steunpilaren bij uitstek van een nationale cultuur. Bij een doorheen de geschiedenis herhaaldelijk bezet gebied als België, dat in de huidige Europese Unie nog steeds geklemd zit tussen Franse, Duitse en Engelse kalibers, kan je de bedenking maken of er überhaupt sprake is van een nationale cultuur. Landsgrenzen zijn tenslotte slechts artificiële strepen verf, ooit zonder veel realiteitszin getrokken en door conflicten meermaals tot onderwerp van touwtje trek verworden.
Wat taalkwesties betreft kiezen Vlamingen er dan ook al zo’n kwarteeuw voor aansluiting te zoeken bij de mondiger noorderburen in Nederland. Een samenwerking gaande van woordenboeken tot literaire prijzen werd evident. Om echt van een taalkundig verwant gebied te kunnen spreken werd overwogen om zowel Surinaams- als Afrikaanssprekende regio’s aansluiting te doen vinden bij een Nederlandstalig canoniek systeem. Soortgelijke inclusies doen meteen de vraag rijzen wat aan te vangen met mengvormen, beïnvloed door andere talen. Zweven immers niet alle Indo-Europese talen binnen een grenzeloos continuüm van verwante taalfamilies, met slechts regionale verschillen? Je ziet het al aankomen: een begrenzing maakt een ware literatuurliefhebber met pijn in het hart, omdat het meteen ook een uitsluiting betekent van diegenen die buiten de grenzen vallen.
Laten we onze horizon dus zo ruim mogelijk houden, en een mondiale canon voor ogen houden. Een potentiële schrijverspoel van die omvang dringt uiteraard strenge selectiecriteria op om tot een lijst canonieke titels van menselijke afmetingen te komen. Wat maakt een boek dan verdienstelijk genoeg om in deze lijst te worden opgenomen?
Traditioneel leggen literatuurwetenschappers allerhande graag de nadruk op bepaalde keerpunten in de literatuurgeschiedenis, die een vernieuwing te weeg brachten qua vorm of inhoud. Het gevaar van deze selectie is dat enkel pioniers herinnerd worden en vervolleerde auteurs die stoelen op oudere tradities in een vergeethoekje dreigen te belanden.
Het alternatief, een keuze naar intrinsieke waarde die uitmondt in een lijst van zogenaamde “meesterwerken”, steunt helaas sterk op de gepercipieerde populariteit van het werk. Een dergelijke waardering is behalve subjectief ook sterk tijdsgebonden. Bovendien werden deze titels lange tijd gekozen door witte, heteroseksuele, mannelijke critici. De bril van patriarchale waarden en normen waardoor zij keken bepaalde uiteraard mee hun keuze voor auteurs met een gelijkaardig profiel.
Tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw werd dan ook gekozen voor een inhaalbeweging op vlak van de “andere” auteur, deze met een ander geslacht, andere etniciteit en andere geaardheid dan de voorheen heersende norm. Genderstudies, postkoloniale studies en queer-theorieën legden zich specifiek toe op vrouwelijke, niet-westerse en lgbtqia+ auteurs. Hoewel het duidelijk mag zijn dat de noodzaak tot dit herbekijken van de literaire canon zich opdrong, kan de vraag gesteld worden of positieve discriminatie binnen literatuurlijstjes niet in de kaart speelt van wie menswetenschappelijke academici verdenkt van al te linkse sympathieën.
Als er dus één zekerheid bestaat omtrent literaire canons, is het dat er onzekerheid heerst over wat de inhoud ervan zou moeten uitmaken. Een opgelegde norm kan immers nooit volledig objectief vastgelegd worden en zal steeds aan verandering onderhevig zijn. Belangrijk bij het prikkelen van (jonge) lezers lijkt mij het zoeken van een evenwicht tussen een kritisch overzicht dat bepaalde kapstokken aanreikt – bijvoorbeeld per literaire stroming – en de mogelijkheid tot verdieping binnen een bepaald deelgebied hiervan – zoals een regio, periode of thema. E-books kunnen heruitgaven van vergeten parels faciliteren, zodat het aanbod zo breed mogelijk blijft. Op die manier kan ieder een persoonlijke canon samenstellen naargelang de eigen interesses. Een ruime blik en een houding die openstaat voor debat lijken me daarbij cruciaal. Neem dus gerust een Max Havelaar ter hand, en denk er vooral het jouwe over.
Dit (academisch, I know) opiniestuk werd 10 jaar geleden geschreven als kritische reflectie tijdens de Master Cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen. Ook toen al stelde ik me vragen bij een (literaire) Vlaamse canon.

