Treinen, huurauto’s en vliegtuigen worden in allerijl genomen, vetes vergeten, iedereen geknuffeld. Mijn zus wacht mij op, zij belde mij. Wie normaal volop praat weet nu niet wat zeggen. Wie normaal stil is zegt wat iedereen denkt. Zij is op en wij ook. En toch kunnen we nog niet loslaten. We wachten op de dokter. Alleen zij kan haar vleugeltjes geven om weg te vliegen van de pijn. Ik gris zelf een strip pijnstillers mee voor mijn hoofd van het huilen. We moeten blijven eten, wij moeten sterk blijven. Dat zegt iedereen: veel sterkte. Ik heb me nog nooit zo slap gevoeld.
Gesnurk als een borrelende duikfles. Het heeft nog iets rustgevend. Tot het ademen meer pijn doet dan het niet ademen. Ik ga de gang op, kan het niet meer aan. Ik ga terug de kamer in, moet er zijn. We kiezen een deux-pièce uit. De bijpassende blouse is juist in de was. Dat wil altijd lukken. Mijn mama handwast snel een vlek uit en gaat erover met een strijkijzer. Mijn papa kamt haar haar. Ik draag water, dekens en extra zetels uit de gang aan, de verpleging steeds maar nieuwe warme kannen koffie. Zorg voor zij die zorgen. De zon gaat onder, het licht dooft uit. Ik zoek een los sfeerlampje, dit verdraagt geen hard plafondlicht.
We zitten in een halve kring rond haar. Daarrond nog meer mensen die om haar geven of haar voorgingen, op foto. Er zijn, meer kunnen we niet meer doen. Samen. Elk om beurt. Het licht van de badkamer valt uit als de bewegingssensor niets merkt. Haar adem stokt mee, minutenlang. Iedereen denkt: dit is het. En dan toch telkens blijven vechten. Lucht naar binnen, oogleden naar boven. Mijn mama maakt haar lippen nat. We strelen haar gezicht, pakken haar handen vast. De koude klimt op van teen tot kruin. Het maanlicht schijnt op haar gezicht. Ik zie opa eruit tevoorschijn komen die trots op ons is. Nu zijn we écht groot geworden.
Mijn nicht brengt voedsel, vrolijkheid en verse moed binnen. We wisselen koekjes en herinneringen uit. Mijn broer legt haar lievelingsnummer op. Non, je ne regrette rien. Een feestroes moet dit zijn, haar leven dat in een onsamenhangende droom voorbij schiet. Mijn nonkel neemt het ‘s nachts over. Mijn tante weet hoe het gaat, onderhuids. Eén voor één komt de slaap ons halen. Maar haar niet. Ze is de sterkste van allemaal, hoe verzwakt ze ook is. Vroeger bracht ze iedereen samen. Met haar laatste krachten kreeg ze dat opnieuw voor elkaar.
De zon komt terug op, gaat weer onder, komt opnieuw op. De haan kraait zoals op de boerderij waar ze geboren werd. Het is een mooie zonnige dag. De dieren brengen troost. De natuur gaat verder. Mijn handen woelen door het mos en weten: tot stof zal ze verworden. Het is goed zo. Iedereen (be)rust. Ook zij ademt rustig nu, als een pasgeborene. Het omgekeerde ter wereld komen. Een wassen beeld, een wafelenbak, een warme woordenvloed, een weerzien met de wijde familie. Slaap zacht, Meter. God zegene en beware u.


Een gedachte over “De laatste wake”
Reacties zijn gesloten.