Dat hij mij graag ziet. Mijn bruine ogen en mijn bolle poep, die delen duidelijk wel. Mijn schaterlach ook, ook al is het met hem. Al te lang tongen is als allitereren: je weet dat wat goed in de mond ligt irritant is voor anderen, maar voor jezelf niet sigarettenslecht. Mateloos voor genot gaan maakt vooral gewoon gelukkig. Een half etmaal, inclusief een half eetmaal, vind ik alsnog redelijk kort om iemand als geheel goed te kunnen zien, laat staan graag.
Zijn onvolledige flarden had ik al van ver gespot bij het binnenwalsen, door de in wijn drijvende lijven. De strijkplanken waren geplooid, maar de gratis genietende stadgenoten nog lang niet. Voorwerpen verloren hun bezitters, die het besef van tijd. Toen de dag samen met die ene vriendin in een zwart gat viel en die andere vriendin langs haar neus weg de lijn aan het toilet schoof, wurmde ik me dichter.
Door die dicht opeengepakte lagen. Zijn warme jas met schapenvoering, of die niet uit moest, nu hij vanonder de koude schapenstal was. Ik miniatuurbouwde met drie prefab medestanders een ander misplaatst stadssymbool, uit Pisa. Om het omgekeerd schaap aan een hoge haak te hangen, om de afgepelde eigenaar even ondersteboven aan de haak te slaan. “Dat ging precies minder makkelijk dan verwacht,” grinnikte hij in mijn oor en niet veel later, het tegendeel toegevend, in mijn mond.
Vond mij ook al tof: zijn zus. Krijg je als je wildvreemden er op wijst dat de rij minder lang is in het rijhuis ernaast, de op overloop even goed lopende bar. Stond erop mij en hem een broodnodige brakke hap te trakteren. Een vettige kroket en een vleeslievende frikandel, confronterend accuraat. Wond er geen doekjes om dat ze niet wist wat ze wou, het net gemuilde meisje waar ze dat kleintje met mayo mee zat te vreten of de goeie vriend waar ze al even mee had gevreeën. “Wie wel,” wrong ik door de garnalen heen.
“De groetjes,” dropte ze in ’t dag kussen nog, “aan Veerle”. Zijn vriendin. Die naam die nog veel zou vallen, daar moest ik even iets door drinken. Zij was ziek en daarom niet in zicht. Al een paar dagen goed gesoigneerd, had hij mij bezweerd. Het pintje in het laatste café bleek geen goed idee. Iets met venijn en wijn. Rijmde niet meer met elkaar: wat ik zocht, zag, zei en zoende. Ik moest m’n bed in, maar te moe om ernaartoe te fietsen. Rolde stoemelings niet in een taxi maar de trap op. Hij stommelde me achterna, handen te vol met glas en wol.
Boven lagen we op een bank tot ze ons buitenkuisten. Beurtelings beneveld en ontnuchterd. Gewetens en ledematen in bochten wringen. In elkaars ziel staren en woelen in haren. Hij watervalde mijn bier binnen en zijn diepste geheimen buiten. Ik wist niets van hem en tegelijk alles. Instant vertrouwen dat normaal lang moet pruttelen voor ik wil proeven. De plooien onder zijn melkblauwe ogen even zacht als die in zijn floeren broek. Altijd even eerlijk.
Dat hij mij graag terugziet. Zij blijkt er open en oké mee, zijn vrijgevige vriendin, dat hij zichzelf en meer moois met anderen zou delen. Zolang de druk er dan bij haar af is en er tussen hen nog iets blijft spelen. Alleen ik, die behalve mijn hart niets te verliezen heb, wil het er niet op wagen. Liefst lief, adjectief en substantief. Liever alleen ik. “Blij dat ik je zag. Best dat we elkaar niet meer zien.” Nog nooit net niemand zo gek gretig graag gezien.
