“Sla me niet te hard, please. Maar ook niet te zacht.”
AA en AAA, alkaline en oplaadbare. Ik rol de gladde cilinders tussen mijn vingers. Check met een flard en flits: mijn badkamerradio en zaklamp werken erop. Wie heeft er nu opwindbare varianten? Doe dan maar die batterijen. Een grote doos deal gedaan, om me te warmen met mijn slimme radiatorknoppen. Niet zo slim eens de wifi uitvalt, besef ik nu. Mijn klusgereedschap verzamel ik ernaast, bovenaan de keldertrap. Onderaan vergaarde plastic zakken. Al vullen die zich vast als eerste met water.
Onder de wasbak bewaar ik pleisters en productstaaltjes voor gevoelige huid. Bij mijn reisspullen ligt een oude powerbank. Of die nog werkt is wat anders. Tussen de peso’s, kronen en baht tel ik ook redelijk wat dollars, al is dat wel de laatste plek waar ik wil belanden. Mijn paspoort en paperassen vind ik gepropt in een ingemaakte kast. Uit het zicht, zoals al mijn rommel. Zonder systeem, zoals al mijn waardevols.
Kleren puilen onopgeplooid uit rekken, dat zit snor. Ook schoenen in overvloed, zelfs na de buurtrommelmarkt. Dekens draperen de ribfluwelen driezit. Achterin de keukenkast nog blikken kikkererwt en kokosmelk, in de koelkast iets voor elk vak van de voedingsdriehoek. Water drink ik uit de kraan, daar moet ik iets aan doen. Zelfs bij eendagswerken aan de leidingen ben ik de lul. Een eigen auto heb ik niet. Een fluitje ook niet, wie the fuck wel. Bij navigeren zonder gps-geluid ben ik de grootste ramp.
Al bij al: al redelijk wat in huis. Voor als de nood hoog is. Gek, daarbij denk ik standaard aan plezier, niet aan pijn. Aan eten, aan creëren, aan seks. Ik herinner me plots de huidhonger van de eerste lockdowns. Open de app die ik toen zo vaak wiste en terug installeerde. De voorbije 24 uur hebben zowel jij als ik iets uitgewisseld, zo blijft dat profielbolletje voor elkaar beschikbaar. Mijn laatste repliek is dat ik geen gitarist kan gebruiken in mijn band. Wel gezelschap in mijn bed, voeg ik er impulsief aan toe. Je reageert meteen en springt op je fiets.
De nervositeit aan mijn voordeur verdwijnt snel. Toch blijft ons bloed kloppen, voelbaar verder kruipen, bijna de eigen schil buiten en de andere binnen. We pellen elkaar als een artisjok tot het zachte hart, het lekkerste deel. Slurpen elk restje angst voor de wereld weg. De lucht is dik met onze meest dierlijke damp. Jij bijt me tot ik openbarst en rijp sap op je kin kleeft. Ik weet niets van je maar wel hoe elke druppel van je smaakt (naar vinaigrette op avocado).
Mijn warme adem geeft je kippenvel. Rechtopstaande donshaartjes, een raster als een dotted moleskine dat mijn vingers kan verbinden. Jij blinddrukt een boodschap in mijn hals die enkel ik begrijp, ik kras een tattoo in je rug die voor jou niets abstracts betekent. Haak je vast in al mijn kieren, kruip maar onder mijn huid.
We zien elkaar als gelijk, vechten speels om dominantie. Om wie mag omklemmen, wie wild kronkelen, wie de kleine lepel zijn. Onze poriën plakken met Pritt-draden aan elkaar. Twee lijmhelften, snel losgetrokken en terug tegen elkaar gekletst, telkens opnieuw. Eerst over elkaar glibberend, dan over de randen morsend, almaar harder hechtend. Tot de kleefkracht verzacht en de witte restjes drogen.
En dus laat ik een prima rode handpalmprint op je achter. In een wereld waar alles gestoord is, zijn wij normaal. Mensen met noden. Hongerig, creatief, geil. Hier wordt enkel gestraft om te belonen. Enkel de luidste kreet onderdrukt. Enkel gedwongen te blijven genieten. Het enige wat (ik) niet mag is sorry zeggen, (jij) je schamen. Hier dient pijn enkel voor plezier. Hier in dit lakenfort is het veilig. Hier zijn we volkomen vrij.
Volledig voorbereid, zo voel ik me. Op minder dan 72 uur een noodpakket verzameld voor minstens 72 uur.
“Ik sla je op als noodcontact.”
